Kleinere pensioenfondsen willen fuseren

Kleinere pensioenfondsen willen fuseren

Ruim een op de zes kwetsbare fondsen is een bedrijfstakpensioenfonds (bpf) liet DNB onlangs weten. Veel kleinere bpf’en zien in dat zelfstandig doorgaan geen optie is. Ze willen fuseren, maar dat gaat niet van een leien dakje. Pensioenfonds Schoenmakerij is één van de fondsen die is opgeroepen door DNB.

Dit is deel 1 van een tweeluik over hoe kleinere bpf’en aankijken tegen hun toekomst. De commissie Toekomst draait bij veel kleinere bpf’en overuren. De werkgeversorganisaties en bonden in kleinere sectoren maken zich zorgen over het voortbestaan van hun bpf. Ze worstelen met tal van prangende vragen. Is het fonds wel groot genoeg om zelfstandig voort te bestaan? Zijn de kosten nog wel te verdedigen? Lukt het wel goede bestuurders in de sector te vinden? Is er sprake van een krimpende sector? DNB zei onlangs expliciet dat ook bpf’en moeten nadenken over de houdbaarheid van hun bedrijfsmodel. Eerst richtte de toezichthouder zijn pijlen voornamelijk op kleine opf’en. Sinds begin dit jaar zijn 13 van de 60 mogelijk kwetsbare fondsen een bpf. Bij veel van deze fondsen staat het onderwerp houdbaarheid al jaren op de agenda. Vaak is er een commissie Toekomst die voorzichtig aftast wat zoal de mogelijkheden zijn. De vraag luidt meestal of het gezien het krimpend aantal actieve deelnemers, het groeiend aantal gepensioneerden en de immer stijgende uitvoeringskosten mogelijk is om op termijn zelfstandig door te gaan. Als het antwoord negatief is, doemt de nog lastiger vraag op: wat te doen?

Fusieplannen belemmerd door financiële crisis

Een voorbeeld is het Bpf Schoenmakerij. ‘Wij zijn een van de fondsen die is opgeroepen door DNB’, zegt Nanny Nuijten, bestuurslid namens FNV Bondgenoten. Het fonds, dat €126 mln onder beheer heeft, is actief in een krimpende sector met 1500 actieve deelnemers. De pensioenuitvoeringskosten per deelnemer/gepensioneerden zijn €395, viermaal zo hoog als bij een groot bpf. ‘We denken al veel langer na over een fusie’, zegt Nuijten. ‘Vlak voor de financiële crisis wilden we samengaan met bpf Detailhandel. Dat ging toen niet door vanwege de crisis. Na een paar jaar waren we in rustiger vaarwater gekomen en wilden we opnieuw fuseren. Toen hoorden we dat bpf Detailhandel overstapte van Syntrus Achmea naar TKP Pensioen. Dat is geen goed moment voor een fusie. We wachten af tot die overstap is afgerond en gaan dan weer in gesprek.’ Nuijten zit ook in het pensioenbestuur voor de Schoen- en Lederwarenindustrie. Dit fonds (€281 mln onder beheer, 1189 actieve deelnemers) realiseerde zich eveneens al jaren geleden dat zelfstandig doorgaan op de langere termijn moeilijk gaat worden. Het bestuur twijfelde tussen fusie met andere kleinere fondsen of aansluiten bij een groter fonds. In dat kader sprak het bestuur met het bpf Sigarenindustrie, ook een fonds dat moet fuseren om te overleven. Eind 2013 besloot het bestuur een fusie met bpf Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie (Mitt) verder te onderzoeken. Dit onderzoek loopt nog. Volgens Nuijten liggen de werkgevers dwars, omdat ze invloed willen blijven uitoefenen op het fonds.

Studie naar fusie vaak vermeld in jaarverslagen

Pensioenfonds Vlakglas heeft eveneens de handdoek in principe al in de ring gegooid. De commissie Toekomst concludeerde in 2013 al dat de tijd is aangebroken op zoek te gaan naar een fusiepartner. Deze week werd bekend dat het fonds met ingang van 1 juli fuseert met Bpf Nederlandse Groothandel. Andere kleine bpf’en die worstelen met hun toekomstbestendigheid zijn onder meer bpf Tex, bpf Houtverwerkende Industrie (dat al is gefuseerd met jachtbouw) en bpf Textielverzorging. Deze fondsen melden in hun jaarverslag dat ze onderzoeken of een fusie een oplossing is. Vaak hameren het Verantwoordingsorgaan en de Visitatiecommissie ook op een heldere toekomstvisie. De kleine bpf’en hebben veel minder vermogen onder beheer dan de grotere fondsen. Het gaat om honderden miljoenen euro’s in plaats van miljarden. Toch zijn de vermogensbeheerkosten niet het probleem. De kosten liggen doorgaans in de buurt van het gemiddelde in de sector: zo’n 0,5%. Meestal beleggen de kleine bpf’en in eenvoudige beleggingsproducten, zoals indexfondsen, zodat de kosten binnen de perken blijven.

Schaalvoordelen liggen bij pensioenuitvoering

De schaalvoordelen die de fondsen kunnen behalen, liggen op het vlak van de pensioenuitvoeringskosten (administratie, bestuurskosten, kosten actuaris en accountant, kosten toezichthouders). Die kosten zijn hoog omdat het aantal deelnemers (actieven en gepensioneerden) relatief laag is. Het aantal varieert bij de kleine bpf’en van een paar duizend tot ruim tienduizend. De kosten uitgedrukt in euro’s per deelnemer (actieven en gepensioneerden) lopen op van ruim €100 tot bijna €400. In het slechtste geval zijn deelnemers per jaar viermaal zoveel kwijt als bij een groter fonds. Met name voor deelnemers met lagere inkomens heeft dat een grote impact. In relatie met de premie-inkomsten zijn de pensioenuitvoeringskosten eveneens hoog. Bij sommige fondsen gaat ruim een vijfde van de premie op aan kosten. Bij veel andere kleine bpf’en ligt het percentage tussen de 5 en 10%. Bpf Visserij noemde dit als belangrijke reden om volgend jaar op te gaan in PGB.

Bestuurders zijn afwachtend

Hoewel meerdere fondsen openstaan voor een fusie of zelfs al weten bij welk fonds ze willen intrekken, valt niet elk kwartaal een fusie tussen bpf’en te melden. ‘Er zijn voor veel van dit soort fondsen geen rationele redenen om zelfstandig door te gaan. Dat is vaak niet in het belang van de deelnemers’, zegt Koos Haakma, partner bij adviesbureau Mastermind en betrokken bij fusies en overnames van pensioenfondsen, waaronder door PME. Volgens Haakma nemen bestuurders een afwachtende houding aan omdat ze veel belang hechten aan de eigenheid van het fonds. ‘Ze zijn bang zich aan te sluiten bij een groter geheel, omdat ze dan invloed verliezen op pensioenzaken.

 

Bron: FD Media Groep, Pensioen Pro

Comments are closed.